Onlangs gevanen in een modderig stukje sloot in de Schermer. Een vis met een bijna wijze uitstraling. Met de kleur van gekleurd modder: groen, geel, goud en bruin. Een rode iris in het oog, wat je berustend aankijkt. Klaar voor wat er komen gaat.
De sporen van de zeelt zijn bijna onzichtbaar in deze zeer ondiepe slootjes. Alleen wat heel fijne belletjes wijzen op de aanwezigheid van zeelt. Waar karpers en brasems door het water heen suizen, staarten en vinnen zwiepend door de lucht en water, daar is de zeelt verfijnd, subtiel op zoek naar voedsel in deze modderige wereld.
Een kronkelige worm, in vaktaal een springer, werd deze zeelt bijna fataal. Maar hij (of zij) had geluk, we lusten geen vis vandaag, naar liefdevol de vis te hebben onthaakt, werd de zeelt losgelaten in het lichte duister van de poldersloot.



Recente reacties